Auteur Topic: Brandonderzoek NFI  (gelezen 3784 keer)

0 leden en 2 gasten bekijken dit topic.

spruitje11

  • Forumlid
  • ***
  • Berichten: 4.818
  • Geslacht: Vrouw
  • Bezoek: Belangstellende
  • Rang: geen
Gepost op: 24 mei 2012, 14:50:25
Brandonderzoek
Forensisch brandonderzoek bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) omvat twee verschillende onderzoeksgebieden. Na een brand kan er een vermoeden bestaan van brandstichting of bijvoorbeeld een defect aan een apparaat. In het eerste geval wordt onderzocht of er sprake was van een brandversnellend middel (Chemisch brandonderzoek). Het onderzoek aan apparaten en constructies is een andere onderzoeksgebied (Brandtechnisch, technisch en materiaalkundig onderzoek).
1.   Chemisch brandonderzoek
2.   Brandtechnisch, technisch en materiaalkundig onderzoek

Chemisch brandonderzoek
Chemisch brandonderzoek speelt vaak een rol kort na een brand, om te onderzoeken of er in de brandresten een ontbrandbare vloeistof aanwezig is die als brandversnellend middel kan zijn gebruikt voor het initiëren, verhevigen of verspreiden van de brand. Een ontbrandbare vloeistof is een (licht) ontvlambare en brandbare vloeistof. Daaronder valt een breed assortiment aan producten, zoals brandspiritus, benzine, terpentine en diesel, maar ook petroleum dat in aanmaakblokjes is verwerkt.
Verdampen
In het chemisch brandonderzoek wordt van de eigenschap gebruik gemaakt dat ontbrandbare vloeistoffen bij een bepaalde temperatuur verdampen. De brandresten worden in een speciale verpakking veiliggesteld (verzameld) en naar het laboratorium gestuurd.
In het laboratorium worden de brandresten in originele verpakking verwarmd, waardoor er damp ontstaat. Vervolgens wordt een dampmonster uit de verpakking met brandresten gehaald en met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS) op de aanwezigheid van vluchtige stoffen geanalyseerd. Ten slotte wordt beoordeeld of de geïdentificeerde vluchtige stoffen van een ontbrandbare vloeistof afkomstig zijn.
Na het chemisch brandonderzoek gaat de brandonderzoeker van de forensische opsporing van de politie na of het gevonden product als brandversnellend middel kan zijn gebruikt, of dat het gewoon ‘legaal’ op de locatie van de brandresten aanwezig was (bijvoorbeeld lampolie uit een olielamp, benzine uit de grasmaaier, bio-ethanol uit een sfeerhaard, enzovoorts).
Vervolgonderzoek
Voor een aantal producten kan het NFI een vervolgonderzoek doen. Een vergelijkend onderzoek, dat vooral interessant is tijdens de opsporing van een verdachte. In het vergelijkend onderzoek wordt de samenstelling van het gevonden product op detailniveau vergeleken met de samenstelling van aangeboden referentiemateriaal dat bijvoorbeeld bij de verdachte is aangetroffen.

Brandtechnisch, technisch en materiaalkundig onderzoek
Binnen het NFI is brandtechnisch, technisch en materiaalkundig onderzoek onderverdeeld in drie categorieën, oorzaak van branden en explosies, installaties en apparatuur en materiaalkundig onderzoek. Alle drie kenmerken zich door een hoge mate van complexiteit en interpretatie. Deze onderzoeken zijn vaak uniek. Het NFI voert ze daarom uit in projectvorm. De drie onderzoeksgebieden zijn sterk aan elkaar gerelateerd. Over het algemeen is de aanpak van het onderzoek hetzelfde en bestaan in de praktijk veel raakvlakken tussen het brandtechnisch, technisch en materiaalkundig onderzoek.
1.   Brandtechnisch onderzoek
2.   Op locatie
3.   Brandhaarden
4.   Primaire en secundaire brandhaard
5.   Technisch onderzoek aan installaties en apparatuur
6.   Materiaalkundig onderzoek
7.   Oorzaken materiaalbreuk

Brandtechnisch onderzoek
Bij het brandtechnisch onderzoek verricht het NFI onderzoek naar de oorzaken van branden en explosies. Als explosieven of vuurwerk de oorzaak zijn, dan gebeurt het onderzoek door ander afdelingen binnen het NFI.
Het onderzoek vindt meestal plaats aan installaties en materialen die door de technische recherche na een ongeval, brand of explosie zijn veiliggesteld. De apparatuur kan van zeer uiteenlopende aard zijn:
•   gasapparatuur, zoals gasfornuizen, geisers, gasflessen, LPG-apparatuur
•   elektrische apparatuur, zoals elektrische kachels, elektrische dekens, föhns
Het NFI onderzoekt of er condities aanwezig waren waardoor de apparatuur in brand kon raken. Voortdurend moeten de onderzoekers bedacht zijn op manipulaties met apparaten zoals het onklaar maken van thermostaten, met als doel het veroorzaken van brand. Soms worden vergaande reconstructies gehouden om het verloop van een verdachte brand na te bootsen. Hierbij kunnen tijdlijnen, verklaringen van getuigen en alibi's van verdachten worden getoetst.
Op locatie
Ook doet het NFI onderzoek op de brand- of explosielocatie, in samenwerking met de technische recherche. Het omvat de volgende facetten:
•   inwinnen van (tactische) informatie
•   inspecteren van de totale plaats delict en observatie van het brandpatroon c.q. schadebeeld
•   met zogenaamde brandverloop-indicatoren achterhalen hoe de brand verliep en vaststellen of er sprake is van één of wellicht meerdere brandhaarden
•   bepalen van het centrum van de brandhaard en veiligstellen van relevant materiaal
•   onderzoeken van het veiliggestelde materiaal om de brandoorzaak vast te stellen.
Brandhaarden
Met inachtneming van het totale schadebeeld op de plaats delict probeert de onderzoeker het brandpatroon te interpreteren. En er wordt gezocht naar locaties die kenmerken vertonen van een brandhaard. Indicatoren voor het herkennen van brandhaarden zijn:
•   brandpatronen: een brand breidt zich - ruimtelijk gezien - V-vormig uit. Het laagste punt in de V betreft de brandhaard. Hier is waarschijnlijk de oorzaak van de brand te vinden.
•   hitteverschijnselen: afhankelijk van de vuurbelasting en de brandtijd bereikt de temperatuur ín een brandhaard vaak een hogere waarde dan op plekken op grotere afstand. Temperatuurindicatoren zijn bijvoorbeeld gesmolten metalen, roet dat zich heeft afgezet, betonbeschadigingen.
•   mechanische beschadigingen, zoals glas dat wordt weggeslagen en al dan niet beroet.
Primaire en secundaire brandhaard
Wanneer meerdere brandhaarden zijn vastgesteld, moet in het algemeen de vraag worden gesteld of deze brandhaarden onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan. Als dit het geval is, spreekt men van meerdere primaire brandhaarden.
Er is sprake van een secundaire brandhaard als deze het gevolg is van een primaire brand doordat bijvoorbeeld brandend materiaal afkomstig van de primaire brand elders terechtkomt. In het geval er onomstotelijk meerdere onafhankelijke primaire brandhaarden kunnen worden vastgesteld, moet ernstig rekening worden gehouden met brandstichting.
Technisch onderzoek aan installaties en apparatuur
Dit onderzoek voert het NFI uit ten aanzien van vraagstukken met een fysische, biomechanische en/of elektrotechnische achtergrond. Er kunnen twijfels bestaan over het functioneren van apparatuur waarbij gevraagd wordt of het incident een achterhaalbare technische oorzaak heeft en/of sprake is van opzet, onwetendheid of onvoorzichtigheid. Voorbeelden zijn fraudeonderzoek aan gas- en elektriciteitsmeters, onderzoek aan duikapparatuur en onderzoek aan medische apparatuur.
Materiaalkundig onderzoek
Over het algemeen verricht het NFI dit soort onderzoek naar aanleiding van een incident, vaak een ongeval waarbij het materiaal plotseling - en zonder een op het eerste gezicht aanwijsbare oorzaak - bezweek. Meestal rijst de vraag: "Waarom trad die breuk onder die omstandigheden op?" Voorbeelden zijn metaalbreuken die aangetroffen worden bij verkeersongevallen. Was de stuurstang al vóór het ongeval gebroken of is de breuk ontstaan door het ongeval?
Oorzaken materiaalbreuk
De volgende oorzaken voor een materiaalbreuk kunnen globaal worden aangegeven:
•   overbelasting: overbelasting van een materiaal treedt natuurlijk sneller op wanneer een constructie niet goed ontworpen is.
•   verkeerd ontworpen of verkeerd opgebouwde constructie waarbij lokaal ontoelaatbaar hoge spanningen zijn opgetreden.
•   materiaalmoeheid doordat een materiaal langdurig aan wisselende spanningen bloot is gesteld.
•   verkeerde structuur van het materiaal en hierdoor slechtere mechanische eigenschappen.
•   sabotage waardoor materiaal is bezweken.
Bron: www.forensischinstituut.nl
Normale mensen rennen hard een brandend huis uit, brandweermensen juist in, dus brandweermensen zijn....buitengewoon